De externe lichten op een vliegtuig vallen in twee categorieën; de navigatielichten die altijd branden als het vliegtuig in werking is en de landingslichten.
Navigatie lichten:
De voorrang van vliegtuigen in de lucht is streng gereglementeerd, de oorspronkelijke regels zijn gebaseerd op deze uit de zeevaart.
Dit is ook zo voor de boordlichten, rood is bakboord (links) en groen is stuurboord (rechts), dus als je een vliegtuig ziet met rood langs rechts en groen langs links weet je dat het naar je toe komt, kruist een vliegtuig je vluchtlijn en zie je zijn rode licht op zijn linkervleugel dan weet je dat het van rechts komt en je voorrang moet geven, het andere toestel ziet jouw groene licht langst je rechterkant en weet dat het voorrang heeft.
Op de staart van een vliegtuig is een wit licht aangebracht, als je dit ziet, weet je dat je achter het toestel vliegt en moet je naar rechts draaien om hem voorbij te steken.
Als je een rood en een groen licht ziet dan weet je dat je naar elkaar toe vliegt en moeten de beide vliegtuigen naar rechts draaien om elkaar te kruisen.
Bij commerciële vluchten komen deze situaties zelden voor omdat de vluchtroutes gepland worden door de luchtverkeersleiding.
Twee lichtbakens die zich op het vliegtuig bevinden staan nabij het centrum van de romp, een bovenaan en een onderaan, deze rood/oranje zwaailichten branden van net voor de motor gestart word totdat deze terug afgezet word, dit om het grondpersoneel te waarschuwen dat de motor(en) in werking is(zijn).
Strobe lichten, op elke vleugeleinde bevinden zich witte strobelampen, deze flitsen continu deze lichten dienen om de aanwezigheid van het vliegtuig te laten opvallen tijdens de vlucht.
Landingslichten:
Taxi lichten: een heldere witte lamp bevind zich aan de neus van het toestel, deze brandt als het toestel in beweging is op de grond, waaneer het opstijgt en/of landt.
Landingslichten, deze worden gebruikt bij de landing voor de verbetering van de zichtbaarheid en dikwijls ook bij het opstijgen op slecht verlichte landingsbanen.
|